Familie Ooms

Het zal zo rond m’n achtste levensjaar zijn geweest (1958 dus), dat we met ons gezin verhuisden van de Lange Kerkstraat in de binnenstad naar de Drieboomlaan, wat we allemaal erg spannend vonden. Van de verhuizing zelf weet ik niet zoveel meer, maar wat ik wel weet is dat we stilstonden voor de spoorbomen op de Koepoortsweg met ons vervoermiddel, waarmee we de verhuizing regelden. Waarom ik dat zo speciaal vond weet ik niet echt meer, maar ik vermoed dat het een soort besef was, dat je een andere wereld binnentrad als je die spoorlijn overging. Het huis zelf aan de Drieboomlaan had een diepe tuin. Voor mijn gevoel als jochie had het een hele diepe tuin, maar ik ben daar op volwassen leeftijd iets anders tegenaan gaan kijken. Met m’n vader en moeder en m’n broers begonnen we aan een nieuw leven in Hoorn-Noord, waar ikzelf een heerlijke jeugd heb gehad.

 

Mijn vader en tante Corrie

Mijn ouders

Mijn vader is in 1918 ter wereld gekomen in Amsterdam (mijn opa en oma hadden Hoorn tijdelijk verruild voor Amsterdam) en verhuisde enkele jaren later met het gezin weer terug naar Hoorn, aangezien zijn vader als etaleur aan de slag ging bij V&D in Hoorn. Ze kwamen te wonen op de Westerdijk, welke lokatie na enige tijd werd verruild voor de Lange Kerkstraat (toen nog Kerksteeg, hetgeen mede door mijn opa werd opgewaardeerd tot Lange Kerkstraat), alwaar mijn grootvader zich naast zijn taak als etaleur bij V&D ook een ondernemer betoonde. Hij startte een bedrijf op, dat zich bezig hield met alle verschijnselen en bijverschijnselen die in verband staan met het houden of organiseren van een feestje. Zo verkocht hij feestkleding, feestattributen, vuurwerk, boekjes met daarin liedjes etc. Maar ook zijn zoons (waaronder mijn vader) werden ingezet bij uiteenlopende projecten. Zo werd regelmatig bij de winkel aangeklopt door mensen uit Hoorn en daarbuiten met de vraag of ze, naast de verstrekking van feestattributen, ook de mogelijkheid hadden om de feestzaal in te richten en te voorzien van slingers e.d.  Aan dat verzoek werd uiteraard gehoor gegeven door de zeer zakelijk ingestelde opa Ooms en omdat de jongens op de fiets naar de feestlokatie waren gegaan en geacht werden ook weer naar huis terug te keren met de uitgeleende spullen, bleven ze over het algemeen als speciale gasten op de feestavonden, waar ze zich niet onbetuigd lieten. Mijn vader kijkt met vreugde terug op die periode en heeft daar enkele jaren geleden nog over verteld tijdens een uitzending op Radio Hoorn. Inmiddels was hij op de ambachtschool doende om het schildersambt onder de knie te krijgen. Zelf kon hij soms heel denigrerend doen over zijn ambt ("iedere boerelul kan het"), maar als je daar echt serieus op inging bleek toch wel, dat ie daar eigenlijk anders over dacht. Het door een beunhaas verrichte werk werd door de mensen over het algemeen anders beoordeeld ("niet slecht voor een amateurtje"), dan het werk van een professional. En mijn vader - het mag gezegd - was wel degelijk een vakman. Ik heb nooit iemand over z’n werk horen klagen. Zelf sprak hij daar soms op zijn eigen wijze bescheiden over: "ik ben een artiest". Tijdens de oorlogsjaren is m’n vader nog tewerkgesteld in Duitsland en was later onderduiker, waarbij hij in het dorp Zwaagdijk terechtkwam. Daar ontmoette hij mijn moeder, die ‘de onderduiker’ regelmatig in bescherming nam en die meer voor hem bleek te voelen dan gewoonlijk voor andere mensen (mijn moeder heeft een groot analytisch vermogen) en zo is het dus gekomen. Nog net tijdens de oorlog trouwden ze en kregen in 1946 hun eerste kind: mijn broer Kees. Daarna volgden Jacco, Wally (ikzelf dus), Rob, Jos, Emmy (eindelijk een meisje) en Pierre.

alle kinderen kopie

De wijk in

Mijn vader gaf er, in zijn functie als schilder, de voorkeur aan om de kreet "ik ga de wijk in" te gebruiken in plaats van "ik ga aan het werk". En als ie eenmaal aanwezig was bij de ‘clientèle’, zoals hij z’n klanten omschreef, dan was ie niet aan het werk maar gaf ie ‘acte de présence’. Er daarbij steevast voor zorgend, dat bij vertrek een lege sigarendoos werd achtergelaten, opdat de mensen er op subtiele wijze aan werden herinnerd, welk merk sigaren kon worden aangekocht. Vaste truc, die altijd werkte. Tot de clientèle behoorde de familie Roos van het assurantiekantoor Roos, waar m’n vader heel veel schilderwerk voor heeft verricht (of verklap ik nu een belastingtechnisch geheim waar deze assuradeurs alsnog problemen mee kunnen krijgen), supermarkt Vlaar bij ons aan de overkant (Piet Vlaar zal zo zijn eigen methodes hebben gehanteerd om dit buiten de boeken te houden) en een hele reeks particulieren. Een van de steeds terugkerende klanten was de heer Van Schie, die veelal in gezelschap van z’n omvangrijke echtgenote bij ons aan huis kwam om weer een nieuwe klus te bespreken. Mijn moeder, waar de subtiliteit niet van afdroop, liet overduidelijk blijken dat de Van Schie’s niet tot haar uitverkorenen konden worden gerekend. Als zij de voordeur had opengemaakt en oog in oog stond met deze ongenode gasten, liet ze ze vooral niet binnen, maar liet hen door een onduidelijk voortgebracht geluid blijken, dat ze moesten wachten. In de kamer liet m’n moeder aan m’n vader op haar geheel eigen wijze merken wie er voor de deur stonden. De naam hoefde ze niet eens te noemen. Gelukkig verstond mijn vader wel de kunst om op prettige wijze met ook deze mensen om te gaan, waarna de zaak aan de voordeur werd afgehandeld. Als dan eenmaal de tijd was gekomen, dat mijn vader daadwerkelijk de wijk inging, voltrok zich daaraan voorafgaand een spektakel van de eerste orde. Tegenwoordig laden beunhazen de auto vol met hun spullen om aan het werk te gaan, maar daar mijn vader het diende te doen met een fiets als vervoermiddel, was hij tevens genoodzaakt om daarmee ook alles mee te nemen. Aan de stang werd een schilderstas bevestigd, net als onder de snelbinders en aan het stuur. Ook de altijd meegebrachte radio vond een plaatsje. Het koord van de plaktafel ging dan om z’n hals, waarna vervolgens het grootste huzarenstuk nog moest worden volvoerd. Hij had namelijk de beschikking over een hele grote houten ladder, die loodzwaar was. Zodra alles dan op en aan de fiets was bevestigd en het koord om z’n nek was gegaan, was het tijd om ook nog eens die enorme houten ladder op z’n schouder te hijsen. Die handeling werd steevast voorafgegaan door het opsteken van een dikke sigaar, want anders was z’n vertrek niet compleet. Zo zag je hem dan op weg gaan naar weer een nieuwe klus. Echt een spektakelstuk van de eerste orde.

Oudejaarsavond

De oudejaarsavonden bij ons thuis waren altijd buitengewoon gezellig. We deden spelletjes, dronken wat, kletsten wat en we hadden veelal ook iemand op bezoek. Dat bezoek bestond jarenlang uit oom Ben, die steevast na twaalven beschonken werd gedirigeerd naar z’n huis, waarbij hij het lied ‘Ouwe zeeman, laat je naaien" ten gehore bracht. Inclusief alle schuine verzinsels, waardoor de hilariteit alleen maar toenam. Zodra het twaalf uur was geworden en we onderling de gelukwensen hadden uitgewisseld, was het tijd voor het vuurwerk en daarop direct aansluitend een bezoekje aan de buurt. We zetten dan het feest voort bij soms ook verschrikte buren (de familie Koning), die plotseling een horde uitgelaten Oomsen over de vloer kreeg. Zo bezochten we verschillende families, waar een ernstige aanslag werd gedaan op de voorraad bier en waarbij niet zelden midden in de nacht een beroep werd gedaan op de drankvoorraad van de familie Redeker (zie elders op deze site). Steevast werd onmiddellijk aangebeld bij de familie Meijer, waar minstens zo uitbundig werd meegedaan door het uit ongeveer evenveel kinderen bestaande gezin. Maar we kwamen ook bij de families Pieterse, de Greeuw en Bruijn, waar de avond veelal bij werd afgesloten en waar de overvloed aan oliebollen eenvoudig werd opgelost door ze gewoon uit te smeren over de ramen. Vonden we heel gewoon toen. Zeer gedenkwaardige avonden.

Verjaardagscadeaus / Sinterklaas

Als je met zo’n groot gezin bent is het vaak niet eenvoudig om een gepast geschenk te verzinnen op weer een verjaardag. Degene, die er het meest bekaaid vanaf kwam, was wel mijn vader. Na aanvankelijk nog wel echte cadeaus in ontvangst te hebben genomen, kwam daar op enig moment vreselijk de klad in. Mijn moeder vond het wel gepast om de aankoop van hoogstnoodzakelijke huiselijke attributen zodanig uit te stellen, dat die rond de verjaardag van mijn vader, op 7 maart, voorzien werden van feestelijke verpakking met een lintje, waarbij mijn vader het op schitterende wijze deed voorkomen alsof hij blij verrast was met het geschonkene. Een dieptepunt in deze cadeau-cyclus was ongetwijfeld de toiletbril. Na het uitpakken van z’n cadeau keek hij aanvankelijk nog enigszins hoopvol, daar hij niet direct wist wat-ie nou eigenlijk gekregen had. Maar na enig manoeuvreerwerk en hulp van de gulle gever werd het hem dan toch duidelijk: hij had zojuist een toiletbril gekregen. Dankzij het ongelooflijke gevoel voor humor en het acteertalent van mijn vader, wist hij deze ontegenzeglijke dreun ogenschijnlijk probleemloos te incasseren. "Zo, daar gaan we jaren plezier aan beleven" was z’n bevrijdende reactie, waarmee de spanning in ieder geval weer gebroken was. Wij als kinderen konden er echt ongelooflijk om lachen als zoiets zich voordeed. Met Sinterklaas was m’n vader ogenschijnlijk in een extra goed humeur, omdat hij, naar eigen zeggen, het meeste kreeg van allemaal. Bij elk uitgepakt cadeau van één der kinderen of van mijn moeder zelf, waar met name mijn vader extra zijn best voor had gedaan, werd de cadeauverpakking zijn kant op gesmeten, die hij in ontvangst nam als zijnde weer een nieuw cadeau. Met bijbehorende gebaren en dankwoorden. Hilarische taferelen. We konden het gemis aan subtiliteit van m’n moeder op onze eigen wijze gewoon waarderen. Zelf heb ik me kostelijk geamuseerd toen ze eens op een Sinterklaasmiddag zomaar uit haar schort met pepernoten begon te smijten en er ook niet voor terugdeinsde om tijdens het smijtwerk te laten weten, dat het inhuren van een zwarte Piet onzin was. Kon ze zelf ook, zo liet ze weten, terwijl om haar heen de kinderen haar gelijk bewezen door zich massaal op de grond te storten om zo veel mogelijk pepernoten te vergaren. Dit, terwijl wij schaterlachend het schouwspel gadesloegen. Daaraan voorafgaand had mijn vader op de ramen geklopt. Gewoon van binnenuit, in het zicht van iedereen, maar dat scheen geen kind te deren. Soms werd ook een beroep gedaan op buurtgenoten om de komst van de sint wat extra cachet te geven, waarbij het niet zelden voorkwam dat één der kinderen een blik en een blijk van herkenning had met de dienstdoende sinterklaas of zwarte piet. Buurman Bruijn, die het uit hoofde van zijn functie als sinterklaas enorm naar zijn zin had, gaf daar duidelijk hoorbaar ook voor de kinderen blijk van middels de alleszeggende zin: "Geef mij nog effe een jonkie, Wal". Brullen!

Plafond witten

Om dan echt geen detail onbesproken te laten, kan ik er niet omheen om melding te maken van ook onfrisse feiten. Vanwege de omvang van ons gezin en de gelijksoortigheid van het geslacht, sliepen we met vijf broers op één slaapkamer, welk vertrek door mijn vader veelvuldig werd aangeduid als het ‘wortelenpaleis’. Op de etage waar we sliepen was geen toilet en dienden we dus voor noodzakelijke sanitaire aangelegenheden de trap af te dalen, om daar onze kleine en grote behoeften te doen. Die grote behoeften vonden ook echt op deze wijze plaats, doch de kleinere behoeften vonden met grote regelmaat plaats direct vanuit het immer openstaande slaapkamerraam, van waaruit wij met een ferme straal een gepaste oplossing vonden van al te heftig opspelende aandrang van onze vochthuishouding. De behoefte tot het doen van een plas uit het raam won het altijd van de behoefte om lekker warm in bed te blijven liggen. Deze vorm van gemakzucht wisten we gedurende lange tijd te camoufleren, daar de natuur z’n werk deed. Daar kwam op zekere dag een vreselijke ommekeer in, want tegen deze vorm van zure regen avant-la-lettre was zelfs het toch zo solide ogende dak niet bestand. Het stuc-plafond in de keuken sloeg namelijk vanwege het doorlekken zwart uit. Mijn moeder achtte het dan ook noodzakelijk, dat het plafond nodig eens gewit moest worden. Ze had gelukkig geen idee van de gele oorzaak. Dit zelfde dak had niet alleen te lijden onder hectoliters pure urine, maar ook de vele klauterpartijen hadden daarbij hun werk gedaan. Wie te laat thuiskwam, of wie besloot om er ‘s-avonds nog even tussenuit te knijpen, verkoos bij voorkeur de weg over het dak om via het slaapkamerraam weer naar binnen of buiten te gaan. Deze sluiproute is mijn broer Kees eens vreselijk opgebroken, welk onprettig moment ook nog eens gedeeld werd met vele buurtgenoten vanwege een hels kabaal. Na een bezoekje buitenshuis, waarbij de nodige consumpties waren genuttigd, achtte Kees het een koud kunstje om de klauterpartij nog even te volvoeren, alvorens van een welverdiende nachtrust te gaan genieten. De genuttigde hoeveelheid drank bleek daarbij een vreselijke rustverstoorder. Het begon goed door op toch nog verbazend soepele wijze de eerste hindernis te nemen: het kolenhok, van waaruit het weer een bescheiden klimmetje was naar het platdak. De grip op het platdak was, naar het zich liet aanzien, echter niet stevig genoeg, waardoor Kees moest loslaten, volledig uit balans raakte en op een onbedaarlijk harde wijze terecht kwam op het kolenhok, dat hij achter zich dacht te hebben gelaten. Dit kolenhok had een blikken afdekking, dat eenvoudig bezweek onder de last van een vallend lichaam. De arme jongen belandde onder veel kabaal pardoes tussen de briketten en de eierkolen. Vanwege de vreselijke herrie kwamen uit alle hoeken mensen aangesneld, waaronder mijn moeder inclusief haarnet, exclusief gebit en genoeg bij de pinken om te beseffen wat er gebeurd was. De arme Kees ging niet alleen gebukt onder helse pijnen, hij kreeg er ook nog eens een nachtelijke speech overheen, waarbij hij plechtig heeft moeten beloven om het nooit meer te doen. De vraag van mijn moeder of deze uiterst gevaarlijke route richting bovenverdieping wel eens vaker voorkwam, werd door ons allen, ondersteund door heftig ontkennend schuddende hoofden, als belachelijk van de hand gewezen. "U denkt toch niet, dat we gek zijn". Na het witten van het plafond en enkele andere ondersteunende werkzaamheden kon het dak weer jaren vooruit. Hopelijk bestand tegen weer een nieuwe golf van degenen, die de strijd tegen het binnenhouden weer moesten opgeven. De uitdrukking "men deed een plas en alles bleef zoals het was" ging bij ons dus echt niet op.

Schilder Dries

Mijn vader en buurman Dries Meijer konden het goed met elkaar vinden en naast de gebruikelijke gezamenlijke bezoekjes aan Always Forward, bij welke gelegenheden ze bekend stonden als de Wama’s, deelden ze ook andere dingen. Mijn vader ging als huisschilder ‘s-avonds en ook vaak zaterdags ‘de wijk in’ om te zorgen dat er niet alleen brood op de plank kwam, maar ook nog eens beleg. Daarbij kwam het een enkele keer wel eens voor, dat hij zich liet vergezellen door Dries, die weliswaar geen enkele opleiding had genoten in het schildersvak, maar naar mijn vaders inschatting wel degelijk van dienst kon zijn door het schilderen van de plinten aan Dries over te laten. Bij de keurige familie Keet (waarover elders op de site meer is te vinden) stortte mijn vader zich op het grote werk en dacht het plintwerk rustig te kunnen overlaten aan zijn eerste assistent. Daar kon tenslotte niet zoveel bij misgaan, was zijn inschatting. Dat bleek een vreselijk misverstand. Dries kreeg het voor elkaar om een volle pot verf om te lazeren op de met veel zorg uitgezochte en peperdure vloerbedekking. Beide mannen staarden elkaar daarbij even in totale verbijstering aan. Wat te doen? Verwijderen van die gigantische hoeveelheid dikke verf was onmogelijk, dat zou je altijd blijven zien. Mijn vader kwam op het lumineuze idee om die megavlek aan het oog te onttrekken door de poten van de kast, die op die aangetaste plek diende te staan, ietsje in te korten. Net genoeg om geen zicht te hebben onder de kast, waardoor er ogenschijnlijk niets was gebeurd. Aldus geschiedde en er was geen vuiltje aan de lucht. Wel was het de heer Keet opgevallen, dat de verfgeur zelfs maanden na afronding van de schildersactiviteiten nog te ruiken was. Maar dat lag, volgens mijn vader, aan de kwaliteit van de verf. "Echte kwaliteit kun je ruiken, meneer Keet." Tevreden zeeg de omvangrijke heer Keet weer in zijn zetel. Aan die Ooms had je tenminste wat. Dat was tenminste nog eens een echte schilder. Nadien bleken de helpende handen van Dries Meijer aanmerkelijk minder vaak nodig.

Mijn moeder

Mijn moeder was afkomstig uit Zwaagdijk, alwaar haar vader een melkzaak dreef. Vader Jaap, zoals zijn naam in het dorp luidde, was een graag geziene gast in het dorp. Het gezin telde, op mijn oom Piet na, louter dochters. Het barstte van de tantes, die allen zeer uiteenlopende karakters hadden, maar die het onderling uitstekend met elkaar konden vinden. Ik denk met grote vreugde terug aan de vele logeerpartijen, die we bij onze tantes en ooms hadden. Na haar schooltijd kreeg mijn moeder een functie als hulp in de huishouding bij de pastorie in Zwaagdijk, waar ze met verve vorm aan heeft gegeven. Later heeft ze mijn vader leren kennen toen hij zich als onderduiker in het dorp schuilhield voor de Duitsers.

Kokkin

Mijn moeder was heel vaak in de keuken te vinden. Over het algemeen waren de door haar klaargemaakte gerechten zeer smakelijk te noemen, doch een enkele keer gebeurde het wel dat mijn vader de eettafel overzag en daarbij de meer dan historische woorden sprak: "laten we eerst maar eens bidden." Maar dat behoorde tot de uitzonderingen. Als ze zin en tijd had, kwam er ook wat lekkers op tafel. Ze kon bijvoorbeeld prima erwtensoep maken, maar ook de sudderlappen waren om te zuigen. Gehaktballen behoorden tot haar specialiteit. Ooit kwam ze de kamer ingelopen met een koekenpan, die volledig gevuld was met een omvangrijke hoeveelheid gehaktballen. De koekenpan echter, die een houten handvat had en met een schroefje bevestigd was aan de pan zelf, bezweek net op dat moment onder de gigantische druk van de ballenberg. Onder luid gekrijs draaide de pan een slag om de rondte, waarbij tot in de verste uithoeken van de kamer de ballen uiteen rolden, met op de grond de tot vlak daarvoor zo heerlijke jus, die duidelijk zichtbaar voor iedereen een vreselijke vlek op de vloerbedekking veroorzaakte. Als te doen gebruikelijk in stress-situaties kreeg mijn vader de kritiek over zich uitgestort. Want dat losse schroefje, dat lag natuurlijk aan hem. De ballenaffaire heeft nog lang doorgesudderd. Met de logistiek had mijn moeder het nodige te stellen. Een enkele keer slaagde ze er wel in, om een boodschappenlijstje in elkaar te flansen, doch daar stond - en dat wist ze zelf maar al te goed - toch de helft niet op. Om die reden waren de ad hoc bezoekjes aan supermarkt Vlaar legio, wat op zich niet zo’n probleem hoefde te vormen, daar deze zich schuin tegenover ons huis bevond. De boodschappen werden uitgestald op de aanrecht om vervolgens een plaats te vinden in kasten, waar het niet overliep van de logica, maar waar ze zelf wel alles in kon terug vinden. Ook had ze een ‘geheime plek’ voor zaken, die dienden te worden bewaard voor geschikt geachte momenten. Dure koeken en ook noten e.d. werden opgeborgen in de droogtrommel in de veronderstelling, dat niemand die plek zou weten te traceren, hetgeen ook weer een ongelooflijk misverstand bleek, waarna driftig werd gezocht naar weer een nieuwe geheime lokatie.

Toetjes

Over het algemeen verstond mijn moeder gelukkig de kunst om voor het omvangrijke gezin iets smakelijks op tafel te zetten en was er na verloop van tijd mee gestopt om telkens weer iets nieuws te verzinnen als toetje. Als ze te horen had gekregen of had opgemerkt dat een bepaald soort toetje goed in de smaak was gevallen, kon je er 100% zeker van zijn, dat je dat de volgende dag ook weer kreeg. Maar na 100 dagen vlaflip kan het wel eens zover komen, dat het wel weer eens tijd werd voor een ander toetje. Die geluiden liet mijn moeder van zich afglijden als zeep op een soepele huid. De volgende dag gewoon weer vlaflip. Kennelijke bezwaren wegwimpelend met de opmerking, dat we het toch altijd lekker vonden en wat kon er nou plotseling aan mankeren. Na weer 100 dagen vlaflip kon het dan gebeuren, dat er bij de supermarkt iets in de aanbieding kwam dat de toets der kritiek kon doorstaan. De meest doorslaggevende factor daarbij was zonder meer de financiële kant, want dagelijks een rits toetjes op tafel zetten impliceerde een dagelijkse investering, die in ernstige mate een aanslag deed op de beschikbare middelen. En zo kon het gebeuren, dat er na 200 dagen vlaflip een periode aanbrak, die dagelijks werd opgesierd met een toetje in de vorm van worstenijs. Normaal gesproken werd zo’n worstenijs gepresenteerd in prettige plakjes, doch mede ingegeven door de grote groep gretige afnemers zonder al te veel geduld, had mijn moeder daar op geheel eigen wijze een eigen presentatievorm van gemaakt door het ijs dwars door de verpakking te drukken zonder zich al te veel aan te trekken van vorm en hoeveelheid. "Het gaat om de smaak" liet ze daarbij weten, waar ze op zich natuurlijk gelijk in had. Het worstenijs heeft 238 dagen stand gehouden. Daarna bleken de gezinsverpakkingen yoghurt in de reclame te zijn. Heel lang.

Strikte regels

Om het misbruik van de telefoon te voorkomen, had mijn moeder een slotje op de kiesschijf aangebracht, waarmee ze zeer in haar nopjes was. Ze kon nu rustig van huis in de geruststellende wetenschap dat er niet meer gebeld kon worden. Dat werd door mijzelf al direct omzeild. Ik was er namelijk achtergekomen dat, door het indrukken van de haken (knoppen) waarop de telefoonhoorn normaal gesproken lag, je gewoon een nummer kon ‘kiezen’. Voor bijvoorbeeld het cijfer 3 hoefde je alleen maar drie keer snel achter elkaar op die knoppen te drukken, aansluitend de andere cijfers, waardoor je uiteindelijk weer gewoon naar buiten kon bellen. Die keuzes waren natuurlijk lang niet altijd even zuiver, waardoor het niet zelden voorkwam, dat je een verkeerde verbinding kreeg en er opnieuw contact moest worden gemaakt met alle bijbehorende kosten vandien. Mijn moeder was dan ook de reddeloosheid nabij toen ze merkte, dat de telefoonrekening sinds het slotje helemaal niet lager was geworden. Ik heb haar nooit deelgenoot gemaakt van dit geheim. Ik leerde mijn moeder van haar beste kant kennen in de periodes dat ze uithuizig was vanwege bijvoorbeeld een ziekenhuisbezoek. Dan trof ik tijdens de bezoekuren een hele ontspannen vrouw aan, die ik maar zo zelden in huis zag. Zal wel komen, omdat iemand haar ooit heeft wijsgemaakt "als je geen duivel bent, dan red je het niet". Waarmee ze maar wilde aangeven, dat met zo’n groot gezin er altijd wel ergens een brandje geblust moest worden of anderszins ingegrepen en dan diende je aan te pakken. Geen tijd voor subtiele flauwekul. Een laatste detail over mijn moeder wil ik niet onvermeld laten. Tijdens nachtelijke onweersbuien dirigeerde ze namelijk het hele gezin met slaapdronken koppen naar beneden naar de huiskamer, alwaar we dan allen in afwachting waren van de goede afloop van de helse weersomstandigheden. Mijn moeder zat dan op een stoel dicht bij de deur met een soort kluisje op haar schoot. Daarin zaten alle verzekeringspolissen, die een slechte afloop van het onweer adequaat dienden te ondervangen. In mijn herinnering heeft het heel vaak midden in de nacht geonweerd.

Mijn ouders zijn in een later stadium gaan wonen in een bescheidener huis aan de Commandeur Ravenstraat en ruilden dat jaren later in voor het bejaardenhuis Westerhaven, alwaar beiden uiteindelijk enkele jaren geleden hun laatste adem hebben uitgeblazen en hun laatste rustplaats hebben gevonden op de begraafplaats aan de Drieboomlaan, waarmee de cirkel weer rond was.

Vrienden

In ons huis was het een komen en gaan van vrienden en kennissen. Het pand aan de Drieboomlaan (door mijn vader veelal aangeduid als ‘de Laan’, met welke woorden hij ook de telefoon opnam: "met de Laan") had tot genoegen van mijn ouders een sociale functie, waardoor ook het houden van feestjes regelmatig voorkwam. Dit waarschijnlijk onder het motto van mijn moeder: "hier kun je het tenminste in de gaten houden". In mijn herinnering hebben we, naast het vele voetballen buitenshuis, heel vaak muziek gedraaid op de pick-up, wat de eerste afspeelmogelijkheid was ten huize. Voor diezelfde pick-up had ook mijn vader een hele reeks 78-toeren grammofoonplaten, die jaren later geen functie meer bleken te hebben, doordat er andere afspeelmogelijkheden waren gekomen. De minst gebruikte langspeelplaten zijn ooit tijdens een van de vele historische verjaardagen door mijn vader onschadelijk gemaakt door ze op gepaste wijze in tweeën te delen op het hoofd van een van de vele gasten. Grote consternatie, maar de beide mannen bleken dit van tevoren te hebben afgesproken. Ons huis was ook het vertrekpunt van waaruit wij met alle vrienden uitgingen. Die vrienden werden, als ze voor de eerste keer bij ons in huis kwamen, onderworpen aan de 1-persoons ballotagecommissie in de vorm van mijn moeder. Als ze iemand om onduidelijke redenen niet mocht, dan gaf ze daar op geheel eigen wijze ook uiting aan. Ogenschijnlijk leek een enkeling aan haar aandacht te ontsnappen, maar dat bleek dan weer te komen, doordat die persoon onmiddellijk haar hart had gewonnen door haar gewoon ‘moeder Ooms’ te noemen, welke naam ook gewoon de aanspreektitel was voor de latere schoondochters en schoonzoon. Op lappendag was de hoeveelheid mensen in ons huis bijna onoverzienlijk als het uur van vertrek was aangebroken. Ook mijn vader liet zich op die dagen niet onbetuigd en vertrok veelal samen met buurman Dries Meijer. Aan het eind van de dag kwamen beiden dan weer met wankele tred en bossen paling op huis aan. Op één van de lappendagen ben ik tussentijds met wat vrienden naar huis gegaan om wat te eten. Maar omdat we allemaal in een jolige stemming waren en verder niemand in huis wisten, gingen we ons te buiten aan uiterst vreemde activiteiten. Zo gooiden we vanuit het slaapkamerraam van mijn ouders de halve inboedel van de bovenverdieping allemaal de straat op. Compleet met matrassen, dekens en lampen. Toen mijn vader later op de dag als eerste thuiskwam heeft ie, ondanks zijn benevelde toestand, alles in het werk gesteld om de inboedel weer op z’n plaats te krijgen. Daarmee voorkomend dat mijn moeder dit schouwspel onder ogen kreeg. Geen idee meer hoe ik me hier uit heb gered.

Operette

Door omstandigheden gedwongen gingen mijn ouders niet veel uit. Wel gewoon naar verjaardagen, maar echt uit zat er maar zelden in. Wel werd jaarlijks de operette opgesierd met hun aanwezigheid en omdat iedereen dan keek naar iedereen vond mijn vader het wel gepast om mijn moeder de reeds lang begeerde bontjas voor die gelegenheid cadeau te doen. Het was een heel duur exemplaar en trots als een pauw togen mijn ouders richting operette. Mijn moeder met onder haar bontjuweel haar mooiste jurk, langdurig en met verve gelakte nagels en een gelaatsuitdrukking die het midden moest houden tussen "voor mij is dit allemaal heel gewoon" en "ik ben geamuseerd". En juist omdat mijn moeder het hele jaar door zo moest sloven om het gezin draaiende te houden gunden we haar dit allemaal, waarbij we nimmer verklapt hebben dat het overduidelijk te zien was, dat ze dit soort kleding nooit droeg. We wilden mijn ouders dit genoegen niet ontnemen. Wat dat betreft is er een hoop veranderd, want kinderen kunnen nu rustig tegen hun ouders zeggen dat ze ‘er niet uit zien’.

Fijne jeugd

Tegenover ons woonde de familie Pieterse, waar ik regelmatig over de vloer kwam, soms met enige schroom, want buurvrouw Pieterse gaf in mijn herinnering zo’n beetje altijd de borst aan weer een nieuw kind. Buurman Willem Pieterse was broodbezorger voor de Bakkerij Otten aan de Koepoortsweg en deed ook iets met kippen. Althans, ik kwam veelal achterom, waarbij het me is overkomen, dat buurman pratendevoort de nek van een kip omdraaide en dat er ook nog enkele andere kippen liepen, die eenzelfde behandeling zouden ondergaan. Deze activiteiten heb ik niet verder afgewacht. Met de buurjongens Pieterse voetbalden we regelmatig. Dat deden we meestal aan de Commandeur Ravenstraat, waar een groot veld was (nou ja groot, destijds vond ik het groot) en waar zo’n beetje iedereen uit de buurt kwam om te voetballen. Jongens als Gerard Imming, Jos Koppes, Willem Loos, Jan Temme, Hans Blokdijk, Peter Blokdijk, Ton Pieterse, Cor Pieterse, mijn broers Cees, Jacco en Rob en nog veel meer kwamen daar zo’n beetje dagelijks om een partijtje te doen met wat vage kledingstukken of schooltassen, die dienst deden als doelpalen. We hebben daar ongelooflijk vaak gespeeld en naar ik me kan herinneren kwam regelmatig de politie langs, omdat het niet echt mocht, maar ik geloof dat ze daar niet echt streng mee waren. Waarschijnlijk had een of ander kinderloos echtpaar weer eens aan de bel getrokken en kwamen ze om die reden af en toe hun gezicht laten zien. We hebben het desalniettemin jaren volgehouden om ons daar volledig uit te leven op voetbalgebied, buiten de eigen voetbalvereniging. We waren in onze buurt zo’n beetje allemaal lid van Always Forward, een keurige katholieke club, waar ik me als klein jochie ooit bij de heer van de Pol heb aangemeld in gezelschap van mijn grote broer Cees. Zal ik nooit vergeten. Bij Forward speelde ik met leeftijdgenoten als Jos Koppes, Peter Tol, Michel Lieshout, etc. Uiteindelijk ben ik ook in het eerste elftal van Forward beland, maar dat was maar voor een blauwe maandag. Ik kwam te onregelmatig op de trainingen en aan mijn mentaliteit schortte het eigenlijk ook wel. Ik dronk graag een biertje en ook het roken werd door mij niet opgegeven om grotere prestaties te kunnen behalen. Met name al niet voor mijn twintigste levensjaar, want tot die leeftijd speelde ik in een bandje (zie ook www.rumbees.nl) als drummer en hadden we ook vele optredens in de hele regio. Ik kan in ieder geval terugkijken op een heerlijke jeugd. Net als m’n broers en zus, waarvan het merendeel nog in de regio Hoorn woonachtig is. Op de plaats in de Lange Kerkstraat waar het allemaal begon, bevindt zich nog steeds de feestwinkel Ooms.