De dames Steeman, alias Snip en Snap: vermaard, vermakelijk en verknipt
 
Tot het midden van de vorige eeuw schuifelde een hoogst vermakelijk duo door de Hoornse straten: de gezusters Steeman. Iedereen kende ze en iedereen kende ook hun bijnaam: Snip en Snap. Hun levenswijze is in later jaren tweemaal aanleiding geweest om er een toneelstuk over op te voeren. Carla Nort, mijn nicht Marian (Nanne voor intimi) en Harry Kooij deden dat lang geleden in het toen nog bestaande Kontaktcentrum en enkele jaren geleden is in Turf nog een toneelstuk opgevoerd.

Trien (Catharina) was lang en broodmager, haar zus Jans (Jannetje) was klein en gedrongen. De gezusters waren nimmer tot fysieke uitwisselingen gekomen met het manvolk, dus ongehuwd en kinderloos. Er was bij de heetgebakerde dames altijd wel aanleiding om zich ergens over op te winden, hetgeen ze op volstrekt eigen wijze tot uiting brachten. Daartoe bekokstoofden ze in hun woonruimte boven de zaak listen om hun opponenten het leven zuur te maken. De dames dreven een kledingatelier annex bontwinkel in de binnenstad van Hoorn en hadden de beschikking over een etalage, die tevens dienst deed als mededelingenbord, waarvoor ze zelfs voor de rechter dienden te verschijnen. Maar daarover later meer. 

De totstandkoming van al dit moois 
De zussen kwamen als dochters van de Hoornse loodgieter Huibert Steeman en diens vrouw Alida Bossert ter wereld in januari 1884 (Catharina) en maart 1886 (Jannetje). Van hun jeugd is weinig bekend, maar rond hun twintigste levensjaar waren de gezusters samen een naaiatelier begonnen. De costumières plaatsten in 1906 een advertentie in de krant waarin ze zich beleefd aanbevolen op hun adres aan de Vischmarkt, hoek Kleine Havensteeg. Aldaar werd kleding gemaakt en vermaakt, naaiwerk verricht en werden ook knipcusussen gegeven. Voor 25 cent per les konden gegadigden het betere naaiwerk onder de knie krijgen. Tevens bestond de mogelijkheid om voor 17,50 gulden 'den geheelen cursus' te volgen, na voltooiing waarvan de deelneemsters zich 'costuumnaaister' mochten noemen. 

Bijzonder gedrag 
Door de contacten met cliënten en leerlingen kwamen ook verhalen naar buiten over de bijzondere gedragingen van de dames. Hun onderlinge gesprekken werden veelal gevoerd op keffende toon in een eigen taaltje. In hun vocabulaire waren in de loop der jaren verschillende onvertogen woorden geslopen, die met enige regelmaat werden gebezigd.
De immer actieve dames hadden ook een bijzondere motoriek en wijze van uiten, waarbij de armen en benen uitbundig meededen. Daarnaast hadden Trien en Jans een hoog ontwikkeld gevoel voor drama, waarbij stemverheffing en zwiepende ledematen ter ondersteuning diende. Maar het meest tot de verbeelding sprekend waren hun wandelingen door de stad. Hun verschijning was op z'n minst bijzonder te noemen. Getooid in eigen uitbundige creaties, bekroond met de specialiteit van het huis: een bontje.
En daar dan weer een hoedje bovenop. Ook van eigen makelij, waarbij zwierigheid niet uit de weg werd gegaan. Voor wat betreft het gebruik van oorbellen waren de dames zeer zichtbaar van mening dat er geen beperkingen waren. Zowel qua uitvoering als formaat.
 Het huwelijkse leven is aan ze voorbij gegaan. Zowel het manvolk als zijzelf toonden geen enkele interesse om tot beknuffeling of besnuffeling over te gaan. De opwinding vonden de gezusters in andere zaken. En dat waren er veel. Er lag altijd wel ergens een vijand op de loer, waartegen met jaloersmakende energie werd geageerd. Dat deden de zich nimmer inhoudende dames met zelfvervaardigde pamfletten en folders. 

Muntstraat 
In 1928 werd het pand aan de Vischmarkt verruild voor de Muntstraat. Daardoor kwamen de gezusters nog nadrukkelijker in beeld bij de binnenstadbewoners, hetgeen door vrijwel iedereen werd ervaren als een groot genoegen. Wie ze samen zag lopen was getuige van een wandelend toneelstuk. Gehuld in eigen creaties bewogen de dames zich breedsprakig voort, om in heftige bewoordingen ergens hun ongenoegen of verbazing over te uiten.
Al snel verwierven de dames de bijnaam Snip en Snap, naar een van tv bekend komisch duo, dat regelmatig in den lande optredens verzorgde. Aan de Muntstraat ondervonden de gezusters enige concurrentie van een bedrijf dat kennelijk wilde profiteren van hun goede naam.
Er verschenen advertenties in de krant, waarin nadrukkelijk werd vermeld dat er maar 1 echte speciaalzaak in dameshoeden, bont en stoffen was gevestigd, te herkennen aan een blauw uithangbord en de naam Gez. Steeman. Aan de advertenties was af te zien dat de dames inwendig kookten vanwege deze schandalige manier van doen en het verschafte ze tevens de mogelijkheid om alles uit de kast te halen.
Geen middel werd geschuwd om de geachte clientele aan zich te binden en de geminachte concurrent te dwarsbomen. 

Door schade en schande wijs geworden 
Ook achterdocht was de dames niet vreemd. Ze kenden het verhaal van een keurige heer die een hoedenwinkel betrad en zich na het passen van enkele hoeden hardop afvroeg hoe deze hem stond, waarop door een voor de etalage rondscharrelende straatjongen werd geroepen: "Als een ezel". Daarop holde de heer met de hoed op het hoofd de deur uit achter de vlegel aan. Ze hebben hem nooit meer teruggezien. Iets dergelijks zou de gezusters niet overkomen. Ze posteerden zich bij twijfelgevallen dan ook altijd tussen winkeldeur en cliënt.
Bij een andere gelegenheid waren de dames slachtoffer van oplichting. Iemand die zich voordeed als particulier detective verklaarde zich bereid een affaire, waarin de dames zich bedrogen achtten, tot opheldering te brengen. De provisie bedroeg 300 hele guldens, die op voorhand werd betaald. Sedertdien vernamen de gezusters niets meer van de speurneus. 

Lange Kerkstraat
In 1936 verhuisden Trien en Jans met hun hele hebben en houwen naar de Kerksteeg waar o.a. ook Joh. de Haan gevestigd was, net als Ooms Feestartikelen, Gerrit Groot Herenmode, groenteboer Schoenmaker, loodgieter Bakker, Nort kleding, een slijterij, een verlichtingszaak, een rijwielhandel en andere bedrijven.
In de winkel hadden de dames een opvallende tijgervel met kop liggen, hetgeen voor o.a. de meisjes van de Meisjesvakschool (gevestigd in een inmiddels verdwenen prachtig pand naast de Boterhal) aanleiding was om de zaak veelvuldig te bezoeken om weer gillend de zaak te verlaten. Die verschillende vormen van plagerij overkwam de gezusters wel vaker.
Er werd regelmatig op de ramen gebonkt en met Luilakken werd onophoudelijk aangebeld. De kordate dames maakten hier op geheel eigen wijze een eind aan door zich op de bovenverdieping boven de ingang te posteren met zeer zichtbaar in hun hand een overvolle piespot, waardoor de aanbellers afdropen.
Al snel genoten de dames door hun eigenaardige manier van doen een twijfelachtige reputatie. Iedereen die niet als klant de winkel betrad kon rekenen op een nare bejegening. De schrik zat er bij menigeen flink in om bij de dames langs te gaan. Een neef van de gezusters, die bode was bij de gemeente, durfde de straat niet meer in. Zo bang was hij voor zijn in indrukwekkende gewaden gehulde nichten, die de kunst van het krijsen zeer wel verstonden.
Eerdere overhandigingen van gewichtige aanschrijvingen hadden geleid tot stokslagen en paraplumepperijen. Geen formulier werd meer aangenomen, laat staan ondertekend. De man was sedertdien bang om gevild te worden en meed de straat alsof deze niet bestond.
Regelmatig verscheen ook de politie bij de dames op de stoep. Veelal daartoe opgeroepen door mensen die waren beledigd of vernederd op uitingen in de etalage. 

Etalage / mededelingenbord 
Aan de Kerksteeg 13, dat enkele jaren later gedwongen werd verruild voor Kerksteeg 22, hadden de dames de beschikking over een etalage, waarmee ze grote faam verwierven. Die vermaardheid was niet vanwege tentoongestelde kleding en hoeden, maar vanwege in de etalage geplaatste ingelijste mededelingen en pamfletten, die over het algemeen een beschuldigend karakter hadden. De Hoornse bevolking smulde van deze publieke uitingen van ongenoegen en bezocht de Kerksteeg frequenter dan ooit. De beschuldigingen waren gericht aan de huisarts, aan justitie, aan het gemeentebestuur en aan alles wat maar riekte naar gezag.
De etalage werd gebruikt als mededelingenbord annex klaagmuur.
Een telkens terugkerend thema daarbij waren de perikelen rond hun geesteszieke zus, die was opgenomen in Heiloo. Keer op keer lieten de dames op deze demonstratieve wijze weten dat hun zus groot onrecht was aangedaan, die in hun ogen niet geestesziek was en al helemaal niet dood.
De dames vochten dat gedwongen verblijf aan en deden dat met in koeienletters geschreven pamfletten, die een prominente plek kregen in de etalage. Wie langs de zaak liep kon de mededeling op geen enkele manier ontgaan. Toen de dames hun zus langdurig niet hadden gezien werd hun vreselijke vermoeden omtrent haar lot op meeslepende wijze aangekondigd in de etalage.
Ze achtten de tijd rijp voor grover geschut: beschuldiging van moord. De nijver pennende zusters stelden onomwonden dat hun zus was vermoord door de huisarts, die haar een spuitje zou hebben gegeven.

Voor de rechter 
Wat daarpop volgde waren aanschrijvingen van verschillende instanties, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat de zussen zich in juni 1947 voor de rechter dienden te verantwoorden. De zitting in Alkmaar was voor de verslaggeefster van de krant een welkome afwisseling op de veelal saaie zaken die ter behandeling aan de rechter waren voorgelegd.
Bij binnenkomst van de gezusters wist zij al genoeg: hier kwam spektakel binnen. 

Ik citeer haar verslag: 
"Het was voor uw verslaggever een aangename afwisseling in het noteren van het verloop der eentonige rechtzaken voor den Alkmaarsen politierechter, toen gisteren de dames Catharina en Jannetje Steeman uit Hoorn werden binnengeleid. De statige rechtzaal had met een slag een verandering ondergaan. Alle gebeuren tussen de donkergroene wanden is immer stijlvol en de gelaatstrekken der zich ter plaatse bevindende personen gedragen zich meestentijds dienovereenkomstig. Het optreden van de beide dames viel echter zo uit de toon, dat het ons diverse binnenpretjes bezorgde.
Stel u voor juffrouw Catharina: rijzig, donkere vorsende ogen, een groen hoedje met een veer op het hoofd en de armen stevig in de zij geplant. Een houding, die de gedachte: 'Zeg nu maar eens wat wij hebben misdreven', duidelijk tot uiting bracht. Aan haar rechterhand had Jannetje, klein maar dapper, haar plaats gevonden. Ook zij droeg een opvallend hoedje."
Bovenstaande is de inleiding tot het verslag dat werd opgemaakt toen de gezusters zich voor de politierechter moesten verantwoorden wegens smaad.

Na de zitting verscheen het volgende verslag in de krant: 

Juni 1947 Een raar zaakje
Gezusters Steeman uit Hoorn voor den Politierechter
Niet op hun mondje gevallen

Het waandenkbeeld dat haar zuster, die in een gesticht verpleegd werd, niet dood is, laat de dames Steeman uit Hoorn allang niet met rust. Zij voeren al die jaren een campagne tegen allerlei autoriteiten, die op regelmatige wijze een acte van overlijden hebben afgegeven, maar het is, zeggen ze, allemaal zwendel, fraude, bedrog.
Alle mogelijke instanties hebben de gezusters in de arm genomen en zij vechten tegen windmolens met een hardnekkigheid, een betere zaak waardig. Zelfs de Commissaris van de Koningin hebben de dames, toen Z.Exc. enige maanden geleden zijn voorgeschreven bezoek aan Hoorn bracht, in de zaak gemoeid. En Baron de Vos van Steenwijk heeft, zoals het een goed regent in een democratisch land betaamt, met geduld de klacht aangehoord.
De Hoornse burgerij kent de geschiedenis. Zij weet, hoe de dames de gewoonte hadden, allerlei schrifturen, op deze zaak betrekking hebbend,voor de ramen van hun bontzaak in de Kerksteeg te hangen. Zij hebben dat pas weer gedaan met 'n paar verhalen, over een nicht, de dochter van hun gestorven zuster, en die verhalen waren weer beledigend voor dit nichtje. Zij zou de zuster ontvoerd hebben en van haar vrijheid wederrechtelijk beroofd, en al die officiële mensen, die met de zaak te maken hebben, lieten er zich toe verleiden, valse stukken af te geven enz.
De jongste belediging bracht de dames weer voor de rechter en de Politierechter in Alkmaar heeft met het geduld en de wijsheid van een echte Kadi de klachten aangehoord. Totdat Jannetje het te bont maakte en de zaal werd uitgezet, waarop de zaak met Catharina alleen vervolgd werd. Tevoren had de Politierechter al eens gewaarschuwd dat er niet te veel "gekwekt" moest worden, want dat nam hij niet. Zij bekenden wel, dat het papier in de etalage hing, maar zij begrepen niet dat iedereen die beledigende woorden dan lezen kon....
Overigens herhaalden de dames in allerlei toonaarden, dat ze onschuldig en "smetteloos" waren. Want "mijn zuster zit geheel onschuldig in het gesticht" zeiden ze. "Uw zuster is dood", zei de rechter onverstoord. "Dat is ze niet", zei Jannetje. "En haar overlijden is officieel vastgesteld", zei de rechter weer en "u heeft zelf een overlijdensacte aangevraagd". "Ja, maar dat was allemaal bedrog".
Toen de Officier van Justitie zei dat de beide verdachten het te bont begonnen te maken, stoof Jannetje op, dat ze geen verdachten waren en zich niet lieten beledigen, waarop Jannetje de zaal werd uitgeleid. En Catharina hoorde aanvankelijk alleen de eis van 50 gulden boete of 25 dagen hechtenis voor ieder, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden, met een proeftijd van drie jaar.
Tot die straf veroordeelde de rechter de dames dan ook direct en Jannetje, weer binnengeleid, aanhoorde dat vonnis ook.
Als dus binnenkort weer smaadschrift in de Kerksteeg voor de ramen hangt, gaan de dames de bak in. Maar, eerst gaan ze in hoger beroep.
Dat kan een gezellige zitting worden van de Meervoudige Strafkamer..." 

Tot zover het krantenbericht uit 1947

 Naar de overkant 
De verhuizing naar de overkant in de Kerksteeg ging bepaald niet zonder slag of stoot. De zusters hadden daar helemaal geen trek in en bleven dus gewoon zitten. Maar de eigenaar had het pand verkocht, dus zat er voor hem niets anders op om met politieondersteuning de gezusters uit zijn pand te zetten, waarna ze de hele inboedel zouden kunnen verplaatsen naar de overkant, op nummer 22.
Deze verdrijving uit Kerksteeg 13 was niemand in de stad ontgaan. Immense pamfletten en andersoortige aankondigingen toonden de ganse bevolking dat de zussen onrecht werd aangedaan.
Zo werd breed uitgemeten verkondigd dat er geen sprake mocht zijn van een onvrijwillige verhuizing en dat ze altijd keurig hun huurpenningen hadden overhandigd.
Ondanks al dit verzet moesten de dames er gewoon uit. Deze verhuizing en het daarmee gepaard gaande verbale geweld was tot in de verre omtrek te zien en te horen. 

Onderlinge conflicten 
Hun onderlinge conflicten konden ook niemand ontgaan. Veelal delfde de kleine Jans daarbij het onderspit. Trien gooide haar zus met enige regelmaat en na een zoveelste ruzie dan pardoes de straat op. Jans kwam er niet meer in. Met luide stem beschuldigde Jans haar zus van voedselonthouding: "Ze maakt me dood."
Die zusterlijke uithuiszettingen vonden plaats op de gekste momenten. Ook in de vroege ochtenduren, waardoor Jans naakt op straat kwam te staan.
Dat leverde vaak hartverscheurende tonelen op, waarbij Jans ook passanten aanhield en zich met smoesjes weer toegang wist te verschaffen tot het eigen huis.
Zo verklaarde ze bijvoorbeeld dat de deur knelde en dat ze assistentie behoefde om de deur open te breken.
Door die straatverbanningen ontbrak het Jans ook aan sanitaire voorzieningen, waardoor de persoonlijke hygiëne ernstig achterbleef en ze haar broek maar gewoon onderscheet. Ze is met talrijke broeken vol stront op straat aangetroffen. De teruglopende mate van verzorging gold overigens de beide zussen. Volgens de buren stonk het in huis en was er sprake van totale vervuiling. 

Koningsgezind 
De dames Steeman waren zeer koningsgezind. Het koningshuis betekende veel voor ze. Bij de geboorte van weer een prinsesje werd een cadeau (meestal een bontje) naar het paleis gestuurd, waarop de dames ook weer een bedankje ontvingen van Soestdijk. Die koninklijke bedankjes werden uitgestald in de etalage. Ingelijst en wel stonden ze pontificaal voor de ramen.
Die hang naar het koningshuis is uiteindelijk de oplossing gebleken om de zo noodzakelijk geworden opname in een verpleeghuis te bewerkstelligen.
Een verpleegkundige verbonden aan de sociale dienst kwam met het idee om Trien haar huis uit te lokken met een zogenaamd afspraakje met de koningin. Jans was toen waarschijnlijk al dood.
Buurvrouw Kooij zou deze tocht samen met Trien maken en gezamenlijk werd met de taxi koers gezet richting Soestdijk. Op naar de koningin.
Maar het werd via een omweg een enkele reis verpleeghuis. Mevrouw Kooij stapte op de 'plaats van bestemming' uit en smoesde wat met geuniformeerde heren, waarop ze Trien mededeelde dat de afspraak met de koningin ietsje uitliep, waarna besloten werd om een kopje thee te gaan drinken bij een groot huis (een verpleeghuis) in afwachting van de terugkeer van Hare Majesteit.
Trien heeft het gebouw nimmer meer verlaten.

Met dank aan Harry Kooij, Gerard de Haan en anderen voor de totstandkoming van dit verhaal.